Straatmama

Ze had halflang, krullend, grijzend haar. Ze liep krom want ze had een bochel, waardoor ze slechts een meter of anderhalf groot was. Haar gezicht was uitgeleefd. ‘Eigenlijk leek ze wel op een trolletje, zoals in een sprookje’ zegt Erwin. Haar stem klonk als die van een man, zwaar en raspend en eigenlijk was ze doorgaans vooral aan het zeiken. ‘Ze was mijn straatmama’. Erwin zucht en kijkt naar de kop koffie in zijn handen, die een beetje trillen.

Erwin was jong toen hij voor het eerst op straat belandde, 18 jaar nog maar. Het is onvoorstelbaar voor mij te bedenken dat je op je achttiende niemand hebt die voor je zorgen kan. Hij was naïef, gefrustreerd en gokverslaafd. En daar was Sjaan.
Sjaan leefde op straat. Erwin had geen idee hoe ze daar beland was, want daar sprak ze niet over. Sjaan was 63 en had een waanzinnig grote bek. ‘Eigenlijk liep ze de hele dag op iedereen en alles te kankeren’ lacht Erwin. En dat scheen haar met een stem als een misthoorn prima af te gaan.

Terwijl Erwin vertelt over zijn straatmama, vol liefde, vorm ik een beeld van deze vrouw. Hij beschrijft hoe ze lag te pitten, in de Sleep Inn, met een sliert snot uit haar neus die bijna de grond raakte terwijl ze op haar zij lag te ronken. Hij doet haar stem na, schor en met een volume waar je meteen van rechtop zit. Als Erwin haar beschrijft zie ik de zachtheid in zijn ogen. En ik zie Sjaan in mijn gedachten.

Op straat hoorde Erwin tot een groep van zo’n 25 mensen. Bij de gebruikersruimte en Sleep Inn hadden ze het nog niet eerder gezien, zo’n enorme groep die elkaar bijstond. Iedereen ging zijn eigen weg, maar ze ontmoetten elkaar steeds voor de nacht of voor het gebruik. Kon iemand zijn nacht binnen niet betalen, dan werd er met de pet rondgegaan. Hoe zwaar het leven op straat ook was, ze sleepten elkaar er wel doorheen.

‘Het was wij tegen zij’ zegt Erwin strijdlustig. ‘Wij’, de daklozen, tegen ‘zij’, de maatschappij. Hij noemt de groep zijn straatbroertjes en straatzusjes. En Sjaan, die was de mama. Zo bestond er een kring van zorg en warmte in het ijskoude leven van buiten. Met een schreeuwend, zeikend viswijf aan het hoofd die zelfs in containers kon slapen, zoveel schijt had ze eraan. Maar Sjaan was niet alleen maar aan het zeiken. Als ze je mocht, dan kon ze heel lief zijn. ‘Kop op jochie, je ken het wel’ zei ze dan. En dat geloofde Erwin dan ook.

Dat welige tieren, dat legde Sjaan geen windeieren. Dikwijls werd ze ergens uitgezet omdat ze een stappie te ver ging. Dan wilde het schelden en schreeuwen niet stoppen. Maar dat maakte Sjaan niet zoveel uit, dan sliep ze maar buiten. Joe.

Bij de gebruikersruimte, wat nu de in-en uitgang van de Mediamarkt is op Hoog Catharijne, had straatmama Sjaan het weer ‘es te bont gemaakt. Het was winter. Sjaan moest eruit en is ineengedoken gaan zitten om de hoek. Tientallen mensen zijn die nacht langs haar gelopen. Wat zullen ze gedacht hebben? Heeft niemand haar aangesproken? Met haar hoofd in haar armen heeft Sjaan er onbeweeglijk gezeten, de hele nacht. Dwarse, ruige en lieve Sjaan.

De volgende ochtend zat Sjaan nog altijd zo.
Sjaan is die nacht overleden. Alleen, op straat. Terwijl er mensen langsliepen.

Op donderdag 4 oktober zamelen wij geld in voor hen die, net als Sjaan, in de winter buiten moeten slapen. De straat op voor de Soepfiets, met het Flinke soep Festival. Meer informatie over het Flinke Soep Festival vind je op Facebook, via https://www.facebook.com/events/452736628563999/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *