Plas

‘Het is zo’n veertien jaar geleden’, vertelt Theo en zijn ogen gaan glimmen. Zijn ondeugende ogen verraden dat er een verhaaltje aankomt wat het vertellen waard is. We zitten aan de gezellige houten tafel in de 50|50 Store, pakken er nog een bakkie koffie bij en kijken Theo verwachtingsvol aan.

Als ambassadeur van het Leger des Heils, gecertificeerd ervaringsdeskundige, deelnemer van de cliëntenraad, werknemer op Domus de Hoek én vaste bezoeker van de 50|50 Store is Theo een graag geziene gast. Hij is vriendelijk, gevoelig, een mensen-mens en een rasverteller. Daarnaast was hij decennialang dakloos, verslaafd en kent de ‘scene’ in Utrecht door en door.

‘In die tijd sliep ik regelmatig achter de bosjes bij de stier’, vertelt hij. Mijn tafelgenoten knikken begripvol, ik heb natuurlijk geen idee waar. Ze proberen het me uit te leggen, maar dat is zoals altijd vrij kansloos, dus Theo hervat zijn verhaal. ‘Als je buiten slaapt, slaap je met één oog en één oor open. Je hoort alles wat je moet horen en ziet op tijd wat je moet zien. Bij me had ik alles wat ik moest hebben: een plastic tas met kleding, en een zware ketting.’ Zijn wapen voor de nacht.

Vier studenten naderden de slaappositie van Theo, brallend. ‘Ze hadden duidelijk goed gedronken, en van zuipen moet je pissen. ‘Hee jongens, hier ligt een junkie!’ brulde één van de studenten. ‘Ha-haaa kijk nou! Een zwerver! Zal ik es effe over ‘m heen pissen?’ De jongen ritste zijn gulp los, mijn andere oor en oog waren direct open. ‘Klootzak!’, heb ik gebruld. Ik pakte mijn ketting en begon ermee te zwaaien. Dat was voldoende om ze weg te jagen. Gelukkig. Ik kon ze echt wel wat aandoen.’

Theo kijkt bitter als hij terugdenkt aan die nacht. ‘Het was net alsof ik geen mens voor ze was’. Ik voel de woede opborrelen terwijl Theo het vertelt. ‘Ik mocht niet op straat slapen, ik lag met een ketting, ik was een gebruiker en zij waren met z’n vieren. Liep dit uit de hand, dan had ik sowieso aan het kortste end getrokken’.

De nacht erop nam Theo zijn positie in de bosjes weer in om te gaan slapen. Eén oog open, één oor open en de ketting vlakbij rinkelde er plots een telefoon. ‘Ik richtte me op en vroeg mijn medegebruiker, die even verderop lag of hij een telefoon bij zich had. ‘Nee Theo, wij hebben toch geen telefoons!’, antwoordde hij. Ik keek om me heen en zag in de bosjes een lampje branden. Daar lag een telefoon!’

‘Hallo?’

‘Euh ja, met wie?’

‘Ja, met wie hé?’

‘Ik ben mijn telefoon kwijt’

‘ja, dat weet ik toch, ik neem net op malloot’

‘Ja eh, wie?’

‘Die zwerver waar je gisteren overheen wilde pissen. Toen was ik geen mens voor je, nu ineens wel? Die telefoon ben je kwijt jongen!’

Theo’s ogen gaan weer glimmen terwijl hij vertelt: ‘Ik heb ‘m geruild voor drie bolletjes wit en heb d’r heerlijk van kennen roken. Zo.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *