Bajestattoo

 

In de jaren dat ik voor het Leger des Heils werk, heb ik heel wat tatoeages de revue zien passeren (en liet ik er zelf ook het een en ander bij prikken). En sommigen vergeet je nooit.

Op de plek waar ex-dak en thuisloze mensen met een harddrugsverslaving woonden én de plek waar ik mijn carrière begon in de hulpverlening, woonde vroeger een inventieve cliënt die zelf een kit op internet bestelde. Een kit om tatoeages mee te prikken, compleet met inkt in rood en blauw en voorbeeldblaadjes. We keken machteloos toe terwijl onze cliënten steeds kleurrijker door de hal paradeerden. ‘Gelukkig’ had hij die kit besteld, want daarvoor prikte hij ouderwets met een zelf geknutseld apparaatje waarvan de resultaten toch net even wat meer tegenvielen.

Maar ook in de 50|50 Store werken prachtig versierde mensen! “Shania” pronkt er bijvoorbeeld in grote, gotische letters op de borst van Henriëtte. Haar grote trots is haar dochter Shania. Ondanks dat Shania niet bij haar moeder woont, is er op deze manier altijd een verbinding tussen deze moeder en dochter.

Onze Carel heeft de namen van zijn dochters, inclusief groot hart, op zijn bovenarm staan. Bij aanvang van zijn dienst schrijf ik graag mijn naam erbij, daar hebben we dan de grootste lol om.

Maar naast namen van kinderen, zien we hier sterrenbeelden, hele zeilschepen, tribals (bedankt jaren negentig), prikkeldraad (bedankt jaren negentig) en hele echte gevangenistatoeages.

En vooral die laatste prikkelt mijn verbeelding. Als ik denk aan de kille cellen waarachter de getroebleerde gedetineerde zijn geïmproviseerde naald in de inkt doopt om een definitieve herinnering aan de tijd van opsluiting aan te brengen. Bijna romantisch is het beeld van de man die zichzelf in de spiegel aankijkt terwijl hij een rillerige traan van inkt onder zijn echte tranen vandaan laat komen.

Zo kijk ik, steunend op mijn ellenbogen, mijn handen op mijn wangen en mijn hoofd gekanteld, onze authentiek Haagse deelnemer M. geïntrigeerd aan terwijl hij mij bovenstaande scene beschrijft. Of nou ja, een soort van bovenstaande scene. Het kan zijn dat ik dat ook wat romantiseerde. Ik wijs hem op zijn pols, waar een enkel cijfer wiebelig prijkt. Duidelijk een echte gevangenistatoeage, dat zie ik natuurlijk meteen hè. Daar moet een pracht van een verhaal aan vastzitten. Gretig vraag ik hem naar de herkomst van dat ene cijfer.

“Nâh dat zit zau…” begint hij. Je moet weten, hij is nogal een goeie verteller. Ik ben vol ongeduld over het verhaal wat gaat komen.

“Kèk, in de bajes krèg je dus een nummâh van ach cijfegs…” Ik hang aan zijn lippen, dit wordt goed, wat is het toch een enorme, stoere, misschien zelfs gevaarlijke man. Wat heb ik toch spannend werk!

“Dus ik denk nâh lekkâh, ik jens dat nummâh derin, maar het dee zo tyfusveel zeer jonge, dus ik dach latâh.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *