Wachten

Als een stralende zon kwam ze, schaterlachend en handenklappend, de eerste keer de 50|50 Store in. Met ronde wangen en dikke billen, een baken van optimisme en vrolijkheid. Ze kwam uit Oeganda, liet het land achter omdat wie zij werkelijk was, of eigenlijk op wie ze viel, daar niet getolereerd word. Over alles sprak ze, behalve daarover.

Een jaar lang was ze hier. We lachten om haar pogingen tot Nederlands spreken (voor iemand die Toerisme had gestudeerd miste ze nogal een talenknobbel) leerden hoe de vrouwen in Oeganda dansten, wat we zomaar midden op de dag oefenden op Oegandese reggeaton (binnenkomende klanten moesten meedoen) en huilden met elkaar op nationale complimentendag, waar we onverwacht wat snaren van elkaar raakten.

We scheelden een maandje, zij en ik. Ergens leken we op elkaar, maar onze levens niet. Bijzonder dat je elkaar dan zomaar treft, in Overvecht.

Tegen haar vertrek werd ze nerveuzer. Ze ging vaker vasten, wat haar rust en bezinning gaf. Alle strohalmen werden aangeklampt, tot de bom viel: ze moest naar het AZC in Leersum. Met een lach, die haar overeind leek te houden, en heel veel knuffels en tranen namen we afscheid van haar.

Ik dacht: die moet terug. Die zien we niet meer.

Ik dacht: die hoort vanzelf dat ze toch wel mag blijven.

Ik dacht: wat duurt het lang.

Dagen werken weken, weken werden moeiteloos jaren. Wij gaan vooruit, wij doen. We vallen, we staan, we eten, we gaan, we hebben een doel. Of maken er één. Of tien.

En ze wachtte, wachtte, wacht. Elke dag, op een bed liggend, starend naar een vochtig plafond, wachtend op de brief.

In de stilstaande trein denk ik aan haar. Wachten lijkt soms zo lang, hoe zou het wachten voor haar voelen?

We hebben haar nog wel eens gezien. Haar dikke billen zijn niet meer, haar ogen staan dof.

Haar lachen is veranderd in wachten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *